observeertips

Begeleidend document begrippen invulformulieren veldrondes

Invulformulier veldronde vleermuis

Nederland kent meer dan 20 vleermuissoorten en ze voeden zich allemaal met insecten. De meest voorkomende vleermuizen waar wij in deze regio mee te maken hebben zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Om meer kennis over de verschillende soorten vleermuizen te krijgen, bezoek https://www.vleermuis.net/.

Verblijfplaatsen gebouw vleermuis:

Ze verblijven met name in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen. Toegangen tot spouwmuren kunnen worden gecreëerd door middel van open stootvoegen. Openingen van één duim breedte bieden al een opening voor de vleermuis om in de spouwmuur te kunnen kruipen. Over het algemeen zijn de verblijven aanwezig op een hoogte groter dan 2 à 3 meter, maar lagere hoogtes zijn nooit uit te sluiten.

Figuur 1. Open stootvoegen muur.

Verblijfplaatsen boom vleermuis:

Bomen zijn belangrijke verblijfplaatsen voor vleermuizen, zowel in de zomer als in de winter. Allerlei holtes kunnen aantrekkelijk zijn voor vleermuizen, zoals verlaten spechtenholen of holen die door rotting bij een afgebroken tak ontstaan zijn. Om als goed vleermuisverblijf te dienen moet zo’n gat dan wel naar boven uitgerot zijn, zodat de vleermuizen boven de opening kunnen hangen. Maar zelfs losse stukken schors kunnen een geschikte verblijfplaats vormen, net als vogel- of vleermuiskasten. De aanwezigheid van vleermuizen in een boomholte is vaak zichtbaar door een spoor van urine dat uit de holte langs de boomstam naar beneden loopt en door uitwerpselen die op de grond gevonden worden.

Foerageergebied:

Het gebied waar de vleermuis vliegt om voedsel te zoeken en te verzamelen. Voorbeelden zijn boven waterpartijen, in vochtige en waterrijke open gebieden, in parken, in de randen van steden, boven open gebieden en boven gazons met alleenstaande bomen.

Vliegroute:

Vaste route vanaf een verblijfplaats naar foerageergebied en terug. Ze kiezen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en vliegen bij voorkeur uit de wind en uit het licht (straatverlichting, verlichting van gebouwen et cetera). Veelal wordt langs deze structuren ook gefoerageerd, het gaat dan bijvoorbeeld om bomenrijen, watergangen met opgaande begroeiing en groene erfafscheidingen.

Paarterritorium:
Territorium waarbinnen een mannelijke vleermuis baltst en deze verdedigt tegen andere mannetjes. Binnen een paarterritorium ligt de paarverblijfplaats.

Invulformulier veldronde gierzwaluw

De gierzwaluw brengt het grootste deel van zijn leven door in de lucht. Alleen om te broeden verlaten
gierzwaluwen tijdelijk het luchtruim en komen ze aan het aardoppervlak.

Verblijfplaatsen gebouw gierzwaluw

Nesten van gierzwaluwen bevinden zich onder dakpannen, in kieren en gaten in muren maar ook in nestkasten. De gierzwaluw kan niet vanuit het nest opstijgen en moet zich eerst zo’n 2 meter naar beneden kunnen laten vallen om weg te kunnen vliegen. Een vrije uitvliegbreedte van ongeveer een meter voor een verblijfplaats in een gebouw is daarom noodzakelijk. Zijn komvormige nest maakt hij van met speeksel aan elkaar geplakte uit de lucht geviste plantendeeltjes, veertjes, haren, sprietjes en zaadpluis.

Gierroute

De route laag over de daken en tussen de huizen die de gierzwaluwen vliegen voordat zij hun verblijfplaats invliegen, daarbij het kenmerkende ‘gierende’ geluid makend.

Invulformulier veldronde huismus

Het habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal eisen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) moeten liggen. Het betreft een combinatie van nest-gelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking (stekelige struiken; groenblijvende struiken, coniferen en klimplanten, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is het habitat niet geschikt.

Verblijfplaatsen gebouwen huismus

Huismussen broeden bij voorkeur in huizen met dakpannen en maken hun nesten dan meestal onder de eerste rij dakpannen bij de dakgoot. Huismussen zijn meestal het hele jaar rond hun nestplaats aanwezig. Tjilpende mussen in de dakgoot zijn vaak een teken dat ze onder de dakpannen broeden. Let ook op mussen die nisjes of nestkasten invliegen.

Kwetterplek

Een dikke, dichte, ongeveer 2,5 m hoge groenblijvende struik aanwezig te zijn waar de hele groep huismussen zich bij nood direct in kan verstoppen.

Stofbadlocatie

De locatie waar de huismus zich in stof of zand draait, waarbij hij de fijne deeltjes over zijn vleugels en lichaam gooit en ze in zijn verenkleed wrijft om ze vervolgens weer uit te schudden. Met een stofbad wordt overmatige stuitklierolie van de veren verwijderd, zodat die niet te vet worden. Stofbaden helpen ook om schadelijke parasieten, zoals luizen en mijten, kwijt te raken.